Grondhouding voor begeleiders werkzaam binnen de SGVG sector.

Omdat Middin gefuseerd is met Orion is er een aantal locaties binnen Middin-Orion waar de Antroposofie op de voorgrond staat. Binnen deze locaties wordt er gewerkt vanuit de grondhouding voor begeleiders werkzaam binnen de SGVG sector.

Grondhouding voor begeleiders werkzaam binnen de SGVG.

Sensitieve / Responsieve Omgang

De begeleider bejegent de cliënt te allen tijden sensitief/responsief. Een sensitieve/responsieve omgang betekent dat de begeleider zich open opstelt voor alle mogelijke signalen die de cliënt uitzendt naar zijn omgeving en deze signalen ook beantwoordt. De begeleider vangt de signalen van de cliënt tijdig op en geeft hierop een passend antwoord. Handvatten hiervoor vinden we in het ondersteuningsplan, signaleringsplan, dagprogramma en werkwijzer op de woning. De begeleider kent de inhoud van deze documenten en heeft hierdoor veelal voldoende bagage om de signalen van de cliënt te herkennen, vangen, interpreteren en te beantwoorden.

Onvoorwaardelijke Acceptatie

De begeleider accepteert de cliënt onvoorwaardelijk en volledig als persoon. Dit betekent niet dat de begeleider moeilijk verstaanbaar gedrag goedkeurt (in tegendeel), maar de persoon achter dit gedrag niet afwijst. De cliënt is zoals hij is en kan zijn gedrag zelf niet of nauwelijks veranderen of beinvloeden. De begeleider communiceert dan ook eenduidig en duidelijk naar de cliënt, zonder enige vormvan afkeur of afwijzing hierin kenbaar te maken.

Afstand – Nabijheid

Iedermens heeft van nature een eigen innerlijke afstand en nabijheid ten opzichte van de ander. Deze innerlijke afstand en nabijheid moet de begeleider aanvoelen bij de cliënt. Denk hierbij aan de volgende vragen: wel/geen oogcontact, hoe dicht in de fysieke buurt, wanneer veilige/onveilige afstand, etc. We praten hier over de invulling van het beroemde lijntje. Ook hiervoor vinden we handvatten in het ondersteuningsplan, signaleringsplan, dagprogramma en werkwijzer op de woning.

Affectief en Emotioneel Neutrale Omgang

De begeleider reageert altijd affectief en emotioneel neutraal op de cliënt. De cliënt is op basis van zijn SEON erg gevoelig voor de stemmingen en emoties van eenieder in zijn omgeving. Op sociaal emotioneel vlak functioneert deze cliëntengroep vaak lager dan op het eerste gezicht gedacht wordt, namelijk veelal onder de 3/4 jaar. Acties en reacties zijn dan ook te vergelijken met deze van een zeer jong kind en ook te plaatsen binnen dit referentiekader. Omgevingsfactoren zijn dus van grote invloed. De cliënt kan onvoldoende onderscheid maken tussen eigen emoties en die van anderen. Begeleiders werkend met de cliënt houden hun emoties dan ook bij zichzelf. Dit betekent niet dat de begeleider als een robot met de cliënt omgaat, maar dat deze zich bewust is van de mate waarin de eigen emotie wordt getoont aan de cliënt. De begeleider bepaalt de grens van affectie en emotie en stuurt dit continu in een goede balans. Hierdoor is de cliënt samen met de begeleider in staat om emotioneel in evenwicht te blijven. Dit noemen we ‘gedoseerd meeleven’ op een affectief neutrale wijze.

Communicatie en Contact

Voordat de begeleider begint met het maken van verbaal contact, zoekt de begeleider eerst op een non-verbale manier contact met de cliënt. Denk aan een aanraking of oogcontact. De begeleider realiseert zich dat de client communiceert op concreet (sensatie) niveau; mensen en voorwerpen hebben betekenis in de situatie waarin ze voor de cliënt ter plekke zijn (door 1 of meerdere zintuigen kunnen worden ervaren). De cliënt communiceert in en vanuit de context waarin hij zich bevindt. De begeleider stemt hier zijn communicatie op af. De begeleider is zich ervan bewust dat gesproken taal niet altijd de voornaamstemanier van uitdrukken, van communiceren is. Totale communicatie (m.b.v. voorwerpen, foto’s, gebaren, e.a)maakt de cliënt vaak beter duidelijk wat er bedoeld of verwacht wordt, waardoor de begeleider de cliënt helpt om(beter) te begrijpen en echt kunnen verstaan.

Structuur in Tijd, Plaats en Persoon

Zonder de begeleider kan de cliënt de wereld om zich heen onvoldoende ordenen. Vanuit zijn ontwikkelingsniveau past de cliënt zich voortdurend aan de wereld aan. Van eenieder vraagt hij om structuur in tijd, plaats en persoon. Dit betekent niet dat de begeleider voor de cliënt alle bekers en borden in de kast op kleur sorteert voordat zij samen een bord of beker uit de kast pakken. Dit betekent dat de begeleider zorgt voor een eenduidige dagstructuur, voorspelbare handelingen in een logische en voorspelbare volgorde, een gezond eet- en slaapritme en zich - samen met het hele systeemvan begeleiders om de cliënt heen – houdt aan de rode lijn die is afgestemd rondomde begeleiding van de cliënt. Denk hierbij ook aan gemaakte vaste afspraken, etc.

Activiteit Centraal

De cliënt heeft de begeleider nodig bij het invullen van zijn tijd. Daaromheeft de cliënt een dagprogramma waarin de activiteit centraal staat. Hieraan heeft de cliënt steun en hoeft de begeleider niet langer dan nodig in te gaan op gedrag. Bijvoorbeeld: cliënt slaat » begeleider weert klap af en verwijst: we zijn nu aan het …. Op deze manier verdwijnt moeilijk gedrag vaak naar de achtergrond. Dit betekent niet dat de begeleider niet ingaat op een (op deze manier) gestelde vraag van de cliënt. De begeleider reageert altijd sensitief en maakt onderscheid tussen echte behoeften van de cliënt en een korte afleiding van de activiteit. Op een rustige, besliste, affectief neutrale toon houdt de begeleider vast aan de activiteit. In de houding herkent de cliënt vanzelfsprekendheid; we gaan gewoon verdermet waar we mee bezig zijn. Dit werkt ook stimulerend en ontwikkelingsgericht.

Positieve Gedragsinstructie

Vaak is het voor de cliënt lastig om zelf te bedenken of bepalen wat er nu wel of niet van hemverwacht wordt. Net zo lastig is het om te bepalen wat nu precies wel of niet gedaan mag worden. De begeleider geeft de cliënt hierom een positieve gedragsinstructie. Stap voor stap vertelt de begeleider wat de cliënt gaat doen: “Ga zitten. Pak je beker. Neem een slok. Zet je bekermaar weer neer.”, etc.

Ho Stop Boodschap

“Doemaar niet” is niet duidelijk.Wanneer de begeleider wil dat de cliënt stopt met gedrag dat niet prettig is, of niet de bedoeling is, geeft de begeleider een duidelijke ho stop boodschap af. Een voorbeeld hiervan is: een opgetilde vlakke hand met hierbij de boodschap HO STOP. Dit is een duidelijk en zichtbaar gebaar dat zegt: dit doen we niet. Na een aantal herhalingen zal de cliënt dit gebaar herkennen en aan de hand van een nieuw aangeleerd gedragspatroon (wat dan wel te doen ipv het ongewenste gedrag) stoppen of ten minste minderen met het ongewenste gedrag.

Eenduidig Handelen

Voor de cliënt is het een randvoorwaarde om goed te kunnen functioneren binnen de woning of werkplek dat het team van begeleiders eenduidig handelt, Zo wordt zijn wereld herkenbaar, voorspelbaar en uiteindelijk veilig. Herkenbare gewoonten, rituelen, gebaren, activiteiten in goede onderlinge afspraken en afstemming met elkaar zijn van levensbelang. Vanuit deze grondhouding biedt de begeleider de cliënt basisveiligheid en op langere termijn een optimale kans tot verdere ontplooiing.